Alreeds Volksunie

Déjà VU, maar dan in de betekenis van “alreeds Volksunie”. Dat dacht ik toen ik eerst het futiele kader van het Vlaamse regeerakkoord en later ook de teneur van de 11 juli-commentaren las en hoorde.
Waar links jarenlang het cordon sanitaire diende aan te snoeren om – door een virtueel lamleggen en een reëel verzwakken van de rechterzijde – zelf aan de macht te kunnen blijven, heeft  links nu de facto een alternatieve weg bedacht. Door een inzet van alle middelen (media, canapégesprekken, propaganda) op de figuur van Bart De Wever heeft men bij de publieke opinie de schijn gewekt dat er een kloon van het gehate Vlaams Belang opgekweekt kon worden die echter ‘gematigd’ en dus ‘wel bruikbaar’ is. De realiteit is echter geheel iets anders. Links weet goed genoeg dat N-VA geen Vlaams Belang ‘light’ is. Ook de Belgicistische vakbonden weten dat. Zij weten dat de N-VA een voor het regime vrij onschadelijke voortzetting is van een strekking die binnen het Vlaams-nationalisme altijd heeft bestaan. Zelf noemen ze zich de ‘participationistische’ strekking. Voor de reële machten van het koninkrijk is het een strekking waar sinds de jaren ’70 van Hugo Schiltz min of meer totale controle over is, ook en vooral als die participationisten in een of andere regering zitten. Laat ons trouwens niet vergeten dat de N-VA (als voortzetting van de Volksunie) slechts zeer kortstondig géén deel heeft uitgemaakt van een of andere regering, en met name enkel en alleen in het propagandajaar dat aan de jongste verkiezingen voorafging. Voor het overige is “er bij zijn” een habitus van deze strekking, om niet meer te zeggen: een conditio sine qua non. Deze nu door de N-VA geïncarneerde strekking heeft voor machtsdeelname veel, zo niet alles over. Zo werd nog maar pas in 2004 in een regering gestapt waarvan nochtans was aangekondigd dat die slechts op de N-VA zou kunnen rekenen nà de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. Ook over de grenzen van de geloofwaardigheid staat “er bij zijn” voorop.
Zonder enig gesprek op dat vlak uit de weg te gaan – zélfs niet met Hugo Schiltz zélf -, heb ik nooit onderschat dat deze twee versies van het Vlaams-nationalisme ten overstaan van elkaar sinds Egmont in hoge mate onaangepast, minstens ‘incompatibel’ zijn geworden. Hoewel Karel Dillen en de zijnen al lang voor Egmont de Volksunie hadden ingeruild voor radicale verenigingen in de marge van de politiek en/of in de metapolitiek, was het sinds Egmont dat de ‘radicale strekking’ partijpolitiek bestaansrecht verkreeg en sindsdien is de kloof dieper dan ooit.
De vrij onschadelijke participationistische – of laat ik ze voor het gemak gewoon ‘lauwe’ – strekking noemen heeft een tanend en uiteindelijk nog slechts sluimerend bestaan gekend dat letterlijk eindigde in de schoot van de gehate ‘tsjeven’, de CVP van vroeger en de CD&V van nu. Zonder de ontsnappingsroute die geheel ophangt aan het imago van één man, zou dit avontuur roemloos zijn geëindigd. Bart De Wever heeft nu (tijdelijk) de rol vervuld die alleen iemand als hij kon vervullen. Volwassen geworden in het Antwerpse Vlaams-nationale milieu, waar de twee strekkingen naast elkaar waren gehuisvest en mekaar beschaafd, maar duidelijk naar het leven stonden, heeft hij het partijpolitieke tanen van de lauwe en de spectaculaire opgang van de radicale strekking van binnenuit mee beleefd. Hij kende dus zeer goed de redenen van het Vlaams Blok-succes, maar tegelijk de plekken langs waar hij in de machinekamer van het Vlaams Belang kon kijken. Toen hij bij het ultieme einde van de Volksunie en het povere resultaat van Bourgeois’ N-VA voor de keuze stond, koos hij de strekking van zijn eigen familiale achtergrond. In het diepste binnenste van zijn ziel was hij  – net als de VU-militant die zijn vader ook heel de tijd was gebleven – Volksuniër. Er is dan ook nog de kwestie van zijn helder verstand dat goed formuleert (wat ook de media extra aantrekt), maar dat  tegelijk bron is van zijn erg groot ego. Alleen een Vlaams Blok/Vlaams Belang dat exclusief zijn eigen partij zou geworden zijn, had zijn partij kunnen zijn. Quod non. Wat dat betreft was de  N-VA een – laat ik zeggen –  gemakkelijker varkentje om te wassen.
Het zal taak zijn van het Vlaams Belang om, voor de publieke opinie vanaf nu, aan te tonen dat de N-VA geen kloon is, geen politiek-genetische weergave of ontdubbeling van het Vlaams Belang, geen andere versie van het Vlaams Belang, maar een wezenlijk andere partij. Een partij die een lauw Vlaams imago zal  aanhouden en de latten systematisch zal leggen waar ze niet in de weg liggen voor de prioritaire regeringsdeelname. Zulks was het geval toen op één week voor de verkiezingen de grootste Vlaamse eis niets meer dan een bijkomend kinderbijslag(je) bleek te zijn. De facto beloofde de N-VA niks meer omdat er niks meer aan te bieden valt in dit koninkrijk. Maar ze kwam er mee weg.
Het Vlaams Belang gaat door op de ‘radicale’ weg. Wij moeten verder aantonen dat ons verre einddoel (niet een of andere regering, maar het onafhankelijke Vlaanderen!) een rustig haalbaar en niet naar de chaos leidend alternatief is voor Belgisch – of Martelarenplein-gestrompel. Op dat vlak is nog denkwerk nodig dat moet gebeuren, en een proces van verfijning en uitwerking moet ter zake op gang gehouden worden. Los van de N-VA. En desnoods ook los van de VVB van Defoort.
Sluwer maar trouw. Luchtiger maar trouw. Rechtlijnig en betrouwbaar.






 

Gerolf Annemans
1

Misschien bent u ook geïnteresseerd in ...